Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) versie 1-7-2025 t/m heden

Terug naar volledig overzicht
Veiligheid aan boord van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken
1.
Alvorens te beginnen met het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) vergewist de schipper van het schip dat gaat bunkeren zich ervan dat:
a.
de voorgeschreven brandbestrijdingsmiddelen te allen tijde operationeel zijn; en
b.
tussen het schip en de kade de voorgeschreven middelen aanwezig zijn voor de evacuatie van personen aan boord van het schip dat gaat bunkeren.
2.
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) zijn alle toegangen en alle openingen van ruimten toegankelijk vanaf het dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht gesloten, met uitzondering van:
a.
aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren;
b.
ventilatieopeningen van machinekamers indien de motoren in bedrijf zijn;
c.
ventilatieopeningen voor een ruimte met een overdrukinstallatie; en
d.
ventilatieopeningen van een airconditioningsinstallatie, indien deze openingen zijn voorzien van een gasdetectie-installatie.
Toegangen en openingen mogen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper worden geopend.
3.
Tijdens het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) vergewist de schipper zich er voortdurend van dat het rookverbod aan boord en in de bunkerzone wordt nageleefd. Het rookverbod is eveneens van toepassing op elektronische sigaretten en andere soortgelijke apparaten. Het rookverbod is niet van toepassing in de accommodatieruimten en het stuurhuis, indien daarvan de ramen, deuren, schijnlichten en luiken gesloten zijn.
4.
Na het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) worden alle vanaf het dek toegankelijke ruimten ontlucht.