Het Binnenvaartpolitiereglement (BPR) versie 1-7-2025 t/m heden
6.28
Doorvaren van sluizen
1.
Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis moet een schip snelheid verminderen. Het moet, ingeval het de sluis niet onmiddellijk mag of wil invaren, vóór het teken B.5 (bijlage 7) stilhouden.
2.
Een schip mag niet zonder toestemming van de bevoegde autoriteit ligplaats nemen op een wachtplaats van een sluis anders dan om te worden geschut.
3.
Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip, dat met een marifooninstallatie is uitgerust uitluisteren op het kanaal van de sluis.
4.
Een schip kan het verzoek tot het bedienen van een sluis kenbaar maken door het geven van één lange stoot gevolgd door één korte stoot en één lange stoot dan wel door roepen. Het mag dit sein niet herhalen, indien de bevoegde autoriteit heeft te kennen gegeven het te hebben gehoord.
5.
De schepen moeten de sluis in volgorde van aankomst op de wachtplaats invaren. Een klein schip dat tezamen met grote schepen wordt geschut mag de sluis echter eerst invaren na deze grote schepen.
6.
Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis en op een wachtplaats mag een schip een ander schip niet voorbijlopen.
7.
In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een wachtplaats, voorzover de ankers niet worden gebruikt.
8.
Bij het invaren en uitvaren van een sluis en bij het bevaren van de wachtplaats moet een schip de waterbeweging zoveel beperken als nodig is om beschadiging van de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel van andere schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen te vermijden.
9.
In een sluis
a.
moeten een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting ligplaats nemen binnen de door stopstrepen of op andere wijze aangegeven grenzen;
b.
moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet de sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel andere schepen of drijvende voorwerpen kan beschadigen;
c.
mag een schip slechts voorwerpen die niet kunnen zinken als wrijfhout gebruiken;
d.
mag een schip geen water op het sluisterrein dan wel op andere schepen storten of laten vloeien;
e.
mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het aan de beurt is om uit te varen, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;
f.
moet een klein schip zo mogelijk ligplaats nemen op enige afstand van een groot schip.
10.
Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis mag een schip zonder toestemming van de bevoegde autoriteit geen brandstof innemen.
11.
Schepen moeten in acht nemen:
a.
in een sluis een onderlinge zijwaartse afstand van tenminste 10 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
b.
op een wachtplaats van een sluis een onderlinge zijwaartse afstand van tenminste:
i.
10 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat het teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
ii.
50 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, voert;
iii.
100 m ten opzichte van een schip, een duwstel of een gekoppeld samenstel dat de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert.
12.
De verplichtingen, bedoeld in het elfde lid, met uitzondering van onderdeel b, subonderdeel iii, gelden niet:
a.
voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, ten opzichte van een ander schip dat eveneens een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
b.
voor een schip als bedoeld in artikel 3.14, zevende lid, ten opzichte van een ander schip dat eveneens een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert;
c.
voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën schepen op daarvoor door de bevoegde autoriteit aangewezen wachtplaatsen of in sluizen, onverminderd artikel 6, aanhef en onderdeel i, van het Binnenvaartbesluit.
13.
Een schip of samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een passagiersschip met aan boord passagiers. Een passagiersschip met aan boord passagiers mag de sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een schip of samenstel dat een hiervoor bedoeld teken voert.
14.
Een schip of samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, voert, mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een ander schip. Een ander schip mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een schip of samenstel dat dit teken voert.
15.
De verplichtingen, bedoeld in het veertiende lid, gelden niet voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën schepen op daarvoor door de bevoegde autoriteit aangewezen wachtplaatsen of in sluizen. Op die schepen zijn in dat geval het dertiende lid van dit artikel en artikel 6, aanhef en onderdeel i, van het Binnenvaartbesluit van overeenkomstige toepassing.
16.
Een schip of samenstel dat een teken als bedoeld in artikel 3.14, derde lid, voert, mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een ander schip. Een ander schip mag een sluis niet invaren om tezamen geschut te worden met een schip of samenstel dat dit teken voert.
17.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen geregeld is in het elfde tot en met het zestiende lid.
18.
Schepen en samenstellen die het kenteken, bedoeld in artikel 2.06, voeren, mogen de sluis niet binnenvaren indien er vloeibaar aardgas (LNG) vrijkomt buiten de LNG-installatie, of indien verwacht kan worden dat er vloeibaar aardgas (LNG) buiten de LNG-installatie zal vrijkomen tijdens het schutten.
19.
De bevoegde autoriteit kan, wanneer een schip zich in een sluis of op een wachtplaats daarvan bevindt, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart te waarborgen, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, aan de schipper een verkeersaanwijzing geven, zo nodig in afwijking van dit artikel. De schipper is verplicht aan deze verkeersaanwijzing gevolg te geven.